Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed
Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed
De aanpak van de stikstofcrisis gaat grote gevolgen hebben voor het platteland. Is de toekomst somber als je dicht bij een beschermd natuurgebied woont of zijn er misschien nieuwe kansen? Drie boeren vertellen hun verhaal.
(Tekst gaat verder onder de foto)

Tijdens een autorit in de omgeving van zijn woonplaats Wapse wijst Johan Moes (56), voorzitter van de Vereniging Drentse Boermarken (VDB), naar een verwaarloosde boerderij. „Die staat al een tijd leeg. De boer is vertrokken, het land is nu van de provincie.”
Verderop groeit een eindje van de weg een groepje bomen en struiken. „Verwilderde erfbeplanting”, bromt hij. „Hier stond tot een paar jaar geleden een prachtig melkveebedrijf. Alleen een stukje van de oprit ligt er nog.”
Na een bocht in de weg doemen twee kale woonhuizen op. „Dit was ook een boerderij. De stallen zijn gesloopt; de vroegere bedrijfswoningen worden door de provincie verhuurd.”
„Toeristen genieten van een afwisselend landschap met weilanden en stukjes bos”
- Johan Moes, voorzitter Vereniging Drentse Boermarken
Het tekent de teloorgang van het landschap, vindt Moes. „Hier schrik je toch van?” Het ritje gaat door een gebied van 200 hectare dat de afgelopen jaren stukje voor stukje door de provincie Drenthe is aangekocht voor de ontwikkeling van nieuwe natuur (Natuurnetwerk Nederland). De grond grenst aan het Drents-Friese Wold, een van de 162 beschermde Natura 2000-gebieden in Nederland.
Terwijl hij over een brug rijdt, wijst Moes op de moerassige omgeving waarin met moeite nog een slingerend beekje te zien is. „De Vledder Aa. Mijn grootvader heeft geholpen hem te kanaliseren; nu hebben ze hem weer meanderend gemaakt.”
De inrichting van de 200 hectare is nog niet afgerond, maar Moes weet al welke kant het opgaat. „In grote delen mag straks niemand meer komen”, zegt hij. „Vroeger was dit een prachtig landschap, met een afwisseling van weilanden, hooilanden en stukjes bos. Juist daar genieten onze toeristen van.”
Moes kan het weten, want toeristen spreekt hij dagelijks. Een jaar of tien geleden stopte hij bij gebrek aan een opvolger met het melken van koeien. Tegenwoordig runt hij samen met zijn vrouw en hun dochter een moderne camping met zeventig ruime standplaatsen. Op een aantal hectares houdt Moes nog wat zoogkoeien. „Lakenvelders. Mooie beesten zijn dat. Zo blijf ik toch een beetje boer”, lacht hij.
Wapse ligt tussen drie Natura 2000-gebieden: het Drents-Friese Wold, het Dwingelerveld en het Holtingerveld. De druk op het overgebleven cultuurlandschap is groot. „De provincie heeft een zoekgebied van 1000 hectare aangewezen, wat voor een deel ook natuur moet worden”, zegt Moes.
(Tekst gaat verder onder de foto)

Johan Moes kijkt naar de koeien van een biologische boer in het zoekgebied voor nieuwe natuur in Zuidwest-Drenthe. „Het is de vraag of dit bedrijf hij hier kan blijven.” beeld Jaco Hoeve
Boeren daar zitten nu in grote onzekerheid over de toekomst, stelt hij, terwijl hij langs een weiland met koeien rijdt. „Die zijn van een biologische boer. Hij heeft een prachtig bedrijf. Maar niemand weet of hij hier kan blijven zitten.”
De druk wordt straks misschien nog groter, als de landelijke overheid beperkingen voor de landbouw afkondigt in bufferzones rondom de Natura 2000-gebieden. Landbouwminister Jaimi van Essen komt - zo is de planning - vrijdag naar buiten met zijn stikstofplannen. Welke maatregelen het kabinet precies in petto heeft, blijft tot het laatste moment spannend. Zeker is wel dat die zones er komen, want dat is al in het coalitieakkoord afgesproken.
Over de breedte van de zones gaan verschillende geluiden rond, variërend van minimaal 250 meter tot misschien zelfs 2 kilometer rondom de meest kwetsbare natuur. De provincies die al eigen beleid aan het maken zijn, waaronder Drenthe, kijken naar Den Haag.
Op het platteland neemt de onrust toe. In boerenappgroepen wordt gezinspeeld op nieuwe trekkeracties. Belangenorganisatie Agractie spreekt over een dreigende „grootschalige sanering”.
Boerenbedrijven die tegen Natura 2000-gebieden aanliggen, zouden „feitelijk ten dode opgeschreven” zijn. Leegloop van het platteland leidt tot „ontwrichting van de samenleving”, stelt Agractie in een deze week in diverse kranten geplaatste ‘rouwadvertentie’.
Ook de organisatie van Drentse boermarken VDB roert de trom. Het maatschappelijk debat over de toekomst van het platteland wordt „eenzijdig”, stelt de VDB, die 86 leden telt. Het is „dezelfde kleine kring van organisaties” die meepraten, terwijl er volgens de boermarken alle reden is om breder te kijken. Het uitkopen of verplaatsen van boeren heeft namelijk impact op de leefbaarheid in dorpen en buurtschappen.
Boermarken zijn oeroude rechtspersonen, die soms al dateren uit de dertiende eeuw. Nog altijd onderhouden ze in verschillende dorpen de brink en de zandwegen. Vaak beheren ze ook een gezamenlijk machinepark ten behoeve van de leden.
De Drentse boermarken zien met lede ogen aan dat de maatregelen op het gebied van stikstof, natuur, waterbeheer, biodiversiteit en gebiedsprocessen zich opstapelen. Daarin worden volgens de vereniging de gevolgen voor ondernemers en dorpsgemeenschappen onvoldoende meegewogen.
„De boeren zijn de stoffeerders van het landschap”, zegt VDB-voorzitter Moes. „Maar als de boeren weggaan, is er ook minder werk voor de loonwerker, voor de transportondernemer, het installatiebedrijf en zelfs voor de bakker.”
Met het afnemen van de economische activiteit trekken jonge mensen weg naar regio’s met meer kansen. De steun voor lokale verenigingen valt weg. Moes: „De sociale cohesie op het platteland komt onder druk te staan.”
De voorman van de Drentse boermarken is niet tegen natuurherstel. „Ik begrijp ook dat het kabinet de door de stikstofcrisis vastgelopen vergunningverlening weer op gang wil brengen. Maar het is niet goed om een gebied als dit helemaal leeg te trekken, ten koste van de leefbaarheid.”
Volgens Moes was het Drents-Friese Wold ooit een grote zandverstuiving. „Om het stuiven tegen te gaan is bos aangeplant. Nu doen we alsof het bos heilig is en moeten de boeren verdwijnen.”
Alleen al in Zuidwest-Drenthe zijn sinds de eeuwwisseling volgens hem duizenden hectares landbouwgrond uit productie genomen. „Het is een gigantische kaalslag.”
Een dikke 70 kilometer naar het zuidoosten ligt in Twente, vlak bij de grens met Duitsland, het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen. In dit moerassige gebied van 1000 hectare bevindt zich volgens terreinbeheerder Staatsbosbeheer een van de laatste snippertjes levend hoogveen van Nederland. Om dat in stand te houden, en zo mogelijk uit te breiden, worden ingrijpende maatregelen genomen.
Net als in Zuidwest-Drenthe botsen ook hier de plannen voor natuurherstel met de belangen van lokale ondernemers en bewoners. Een van de maatregelen is namelijk het dempen van sloten en het verhogen van het grondwaterpeil in een - in de loop der jaren opgerekte - bufferzone rondom het gebied. Daardoor daalt de landbouwkundige waarde van de grond: het is lastiger, zo niet onmogelijk, om er op een rendabele manier gewassen te telen.
Verschillende boeren hebben zich de afgelopen tien jaar laten uitkopen en hun bedrijf verplaatst. Maar in een groot gebied, zo’n 450 hectare, aan de oostzijde van de Engbertsdijksvenen is twee derde van de grond nog particulier bezit.
„We zijn niet op voorhand tegen verplaatsen, maar dan moeten we wel geschikte grond terugkrijgen”
- Henk Ormel, akkerbouwer in Bruinehaar
Landbouwbedrijf Ormel in Bruinehaar heeft 400 hectare grond in gebruik voor akkerbouw en de teelt van bloembollen. Daarvan ligt 145 hectare „strak tegen het natuurgebied”, vertelt woordvoerder Henk Ormel (67). Hij runt het bedrijf samen met drie zoons, zijn broer en een neef. „Van ons bedrijf leven zes gezinnen.”
De Ormels onderhandelen al jaren met de provincie over de schadeloosstelling voor toekomstige beperkingen op een deel van hun grond. „Wij willen geen bedrijf met een handicap. We zijn niet op voorhand tegen verplaatsen, maar dan moeten we wel geschikte grond terugkrijgen.”
Hetzelfde geldt voor de eigenaar van het naast de Engbertsdijksvenen liggende eeuwenoude landgoed Bruinehaar, graaf Max van Rechteren Limpurg (59). Van Rechteren bezit enkele pachtboerderijen in de beoogde bufferzone. „Stel, je runt een supermarkt en de gemeente zegt opeens dat je de helft van de winkel niet meer mag gebruiken om waren te verkopen. Wat de provincie hier van plan is met boeren, komt op hetzelfde neer”, vergelijkt hij.
„Ons uitgangspunt is dat we gecompenseerd worden met grond van een gelijkwaardige agrarische waarde. Het landgoed heeft een lange relatie met zijn pachters. Daarom wil ik dat zij hun bedrijf kunnen voortzetten, desnoods op een andere plek”, zegt Van Rechteren.
Ormel is voorzitter van het Platform Engbertsdijksvenen, dat opkomt voor de belangen van vijf overgebleven agrarische bedrijven in de bufferzone. Zijn schrikbeeld is dat het gebied verpaupert.
Tijdens een autorit door de bufferzone wijst hij enkele voormalige veehouderijen aan, die inmiddels in handen van de provincie zijn. De huizen worden om kraken te voorkomen bewoond door huurders, maar de erven zien er troosteloos uit. Erfverharding en voormalige kuilsilo’s zijn overwoekerd door onkruid. Lege bedrijfsgebouwen zijn in verval. In een moderne koeienstal, die volgens Ormel maar enkele jaren in gebruik is geweest, staan de melkrobots te verroesten.
(Tekst gaat verder onder de foto)

Akkerbouwer Henk Ormel (l.) en landgoedeigenaar Max van Rechteren maken zich zorgen over verpaupering van het landschap rond natuurgebied Engbertsdijksvenen, waar inmiddels meerdere boerderijen leegstaan. beeld Vincent Jannink
„De grond wordt nog verhuurd aan boeren, maar mag van de provincie niet worden bemest. Daardoor gaat de kwaliteit hard achteruit”, zegt de akkerbouwer.
Landgoedeigenaar Van Rechteren wijst op de sociaal-economische gevolgen voor de omringende dorpen. „Als de boeren weggaan, is er minder werk voor het bedrijfsleven. De economie gaat achteruit, mensen verhuizen. Misschien moet de dorpsschool wel sluiten omdat er te weinig kinderen overblijven.”
Ormel zegt dat de boeren vaak hand-en-spandiensten doen voor de gemeenschap. „Toen een dorp verderop een multifunctioneel centrum gebouwd werd, hebben wij bijvoorbeeld een paar trekkers beschikbaar gesteld. Dat scheelde flink in de kosten voor het grondwerk.”
De boer zet ook een groot vraagteken bij de plannen voor natuurontwikkeling. „Hoogveen groeit boven een ondergrond die geen water doorlaat en het regenwater dus vasthoudt. Maar de Engbertsdijksvenen zijn door de vervening van vroeger lekgeraakt.”
Het grondwaterpeil in de omgeving verhogen heeft volgens hem geen zin. Ormel: „Het grondwater zit onder die ondoordringbare laag en kan het hoogveen dus niet bereiken. De overheid steekt 100 miljoen euro in een plan waarvan het effect onzeker is. Ik vind dat maatschappelijk onverantwoord.”
Van Rechteren wijst in dit verband op recent onderzoek naar de vegetatie die in het gebied voorkomt. „Daaruit blijkt dat de werkelijke situatie in het veld al aan de gestelde doelen voldoet. Het bevreemdt mij dat dan toch nog wordt ingezet op kostbare maatregelen waar risico’s aan kleven voor zowel de natuurwaarden als de leefbaarheid van de omgeving.”
Sommige boeren in de buurt van kwetsbare natuur zoeken naar nieuwe manieren om het rendement van hun bedrijf op peil te houden. Melkveehouder Tijmen van Zessen (45) in Lexmond (provincie Utrecht) bijvoorbeeld, die een groot deel van zijn land tegen het Natura 2000-gebied Zouweboezem heeft liggen.
Van Zessen stapte in 2005 in het bedrijf van zijn ouders en nam dat later over. Het was toen al behoorlijk extensief (weinig koeien per hectare). „Vader had in de loop der jaren steeds meer grond aangekocht, maar de veestapel beperkt uitgebreid. Ik heb nu 110 hectare in gebruik voor honderd melkkoeien. Het jongvee wordt door een buurman opgefokt.”
Voor een bedrijf met een dergelijke oppervlakte grond was het rendement te laag. Van Zessen probeert daarom te verdienen aan verduurzaming. In 2024 meldde hij zich aan bij de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL), een subsidieregeling van de provincie. Deelnemers proberen hun bedrijf te verduurzamen op aspecten als bodem, water, biodiversiteit en klimaat en daarbij van elkaar te leren. Ze zaaien bijvoorbeeld kruidenrijk grasland en doen aan weidevogelbeheer.
Het project loopt vier jaar en levert Van Zessen 3750 euro per jaar op. Een leuk bedrag, maar te weinig om het rendement van het bedrijf voldoende te verhogen. Daarom doet hij ook mee aan een extensiveringsregeling van het Rijk, bedoeld om de stikstofuitstoot rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te verlagen. Met ingang van 2025 ontvangt de Lexmondse veehouder vier jaar lang een vergoeding van 1680 euro per hectare, op voorwaarde dat hij geen kunstmest strooit en de bemesting met dierlijke mest beperkt tot omgerekend 150 kilo stikstof per hectare. „Na afloop zou ik weer meer mogen bemesten, maar de geest van de regeling is dat je dan inmiddels je verdienmodel hebt aangepast.”
En dat laatste lijkt te lukken. Want Van Zessen, getipt door een beleidsmedewerker van de provincie, levert zijn melk sinds een jaar aan de nieuwe zuivelonderneming ikwileerlijkezuivel.nl in het Overijsselse Ommen. Die is opgericht om boeren bij Natura 2000-gebieden perspectief te bieden. Als ze hun bedrijfsvoering ‘natuurinclusief’ maken, ontvangen ze een forse duurzaamheidstoeslag boven op de melkprijs.
De hoogte van deze toeslag is afhankelijk van de prestaties van de veehouder op dertien meetbare zogeheten kritische prestatie-indicatoren (kpi’s). Deze gaan over zaken als dierenwelzijn (gemeten in het aantal uren dat de koeien in de wei lopen), stikstofuitstoot, biodiversiteit (gemeten in het percentage kruidenrijk grasland en het aandeel agrarische natuurbeheer), CO2-emissie, bodem, waterkwaliteit en de herkomst van het eiwit dat de koeien gevoerd krijgen.
(Tekst gaat verder onder de foto)

„Het mooie is dat ik als boer zelf aan de knoppen zit”, zegt veehouder Tijmen Zessen, die melk levert aan het duurzaamheidsintiatief ikwileerlijkezuivel.nl in Ommen. beeld Cees van der Wal
Elke maatregel levert een of meer punten op. Afhankelijk van de totaalscore krijgt de boer een waardering brons, zilver, goud of platina. De daaraan gekoppelde toeslag loopt op van 3 naar 12 cent per liter. Het bedrag komt boven op de basismelkprijs van zuivelreus FrieslandCampina, die als referentie dient.
Van Zessen heeft inmiddels het label goud in de wacht gesleept, goed voor 9 cent toeslag. Dat levert hem zo’n 75.000 euro extra melkgeld per jaar op. „Het mooie is dat ik als boer zelf aan de knoppen zit. Dit is een systematiek die helemaal past bij de doelsturing die het kabinet voor ogen heeft.”
Een tweede pluspunt van ikwileerlijkezuivel.nl is dat de boer een ‘bewijskoffer’ krijgt met gegevens over zijn duurzaamheidsinspanningen. „Het idee is dat ik hiermee een stevige juridische rugdekking heb als iemand mijn omgevingsvergunning wil aanvechten”, zegt Van Zessen.
Gemakkelijk is het niet om te scoren op de kpi’s, waarschuwt melkveehouder Van Zessen. „Veel boeren hebben een intensiever bedrijf dan ik. Dan is het lastiger om de hoogste scores te behalen.”
Zelf heeft hij vertrouwen in de door ICT-ondernemer Rik Hoogenberg opgerichte zuivelonderneming. „Het is natuurlijk een nieuwe partij die zich moet bewijzen, maar ze hebben een sterke club mensen met roots in de zuivel. Mocht het onverhoopt misgaan, dan zijn er genoeg partijen die mijn melk graag willen hebben.”
„Ik wil mijn werk doen op een manier die past bij mijn christen-zijn”
- Tijmen van Zessen, melkveehouder in Lexmond
Voor hem is ook oog voor rentmeesterschap een argument om mee te doen. „Ik wil deze plek niet slechter achterlaten dan ik die van onze Schepper gekregen heb. De manier waarop we in Nederland boeren, heeft gevolgen voor de natuur. De teruggang van het aantal weidevogels bijvoorbeeld kun je niet alleen aan roofdieren toeschrijven. Als een veehouder al zijn grasland in één keer maait, hebben kuikens geen kans om te overleven. Ik wil mijn werk doen op een manier die past bij mijn christen-zijn. Ik ben meer dan melkveehouder, ik ben een mens, getekend in Gods hand.”
Ikwileerlijkezuivel.nl is een initiatief van ICT-ondernemer Rik Hoogenberg. Hij wil boeren nabij Natura 2000-gebieden een verdienmodel aanbieden waarin verduurzaming harde euro’s oplevert. „Ik woon in Twente vlak bij een Natura 2000-gebied. Ik zie daar dat de natuur achteruitgaat, en ik zie ook dat er van de dertig melkveehouders in mijn omgeving al tien zijn gestopt. Boeren zitten klem. Als het kabinet besluit tot een zonering rondom Natura 200-gebieden van 500 of 1000 meter, en je zit daar met je bedrijf in, dan gaat de waarde van je grond omlaag en ben je je verdienmodel kwijt.”
Hoogenberg betrok enkele ervaren specialisten uit de zuivelwereld en de retail bij zijn plan. Dat leidde tot de oprichting van ikwileerlijkezuivel.nl. De provincies Gelderland en Overijssel zegden steun toe.
„Wij maken het rendabel om natuurinclusief te boeren”
Rik Hoogenberg, oprichter ikwileerlijkezuivel.nl
Vorig jaar nam het nieuwe bedrijf de zuivelfabriek De Vechtstreek in Ommen over. Acht boeren leveren inmiddels hun melk, die verwerkt wordt tot boter. Inkoopketen Superunie (onder meer PLUS, Spar en Dirk) neemt de boter onder huismerk af. Inmiddels wordt gewerkt aan een productlijn voor schepyoghurt. De bedoeling is om binnen twee jaar op te schalen naar 150 melk leverende boeren. Verdere groei ligt in het verschiet.
„Wij maken het rendabel om natuurinclusief, dat wil zeggen in balans met de natuur, te boeren”, zegt Hoogenberg. Alleen boeren direct naast Natura 2000-gebieden komen in aanmerking. Dat zijn er volgens hem in heel Nederland tussen de 4500 en 5000. „Ik schat dat een derde daarvan sowieso gaat stoppen, nog eens een derde redt zichzelf, bijvoorbeeld door om te schakelen naar biologisch. Het resterende derde deel heeft hulp nodig om te overleven; dat is onze doelgroep.”
Elke deelnemer tekent voor een bedrijfsplan waarin staat aan welke natuurdoelen hij werkt. De resultaten worden gemeten en vastgelegd in een dossier. Dit biedt volgens Hoogenberg een stevige juridische borging dat de boer zijn bedrijf kan voortzetten.
Bron: Reformatorisch Dagblad